Geschiedenis van de brandweer

Op deze pagina vind je een overzicht van de geschiedenis van de brandweer. Van de oude Romeinen via de middeleeuwen naar het heden. Ook lees je alles over de ontdekking van de bluspomp.

300 v. Chr. – 100 v. Chr.

De allereerste werkende waterpomp die werd zou zijn uitgevonden door de Griek Ktesbios van Alexandrië (285 v.Chr. – 228 v.Chr.). Hij ontdekte de kracht die werd gecreëerd bij het samenpersen en decomprimeren van lucht. Hij paste dit toe op machines waardoor hij de eerste pomp uitvond. Ktesbios werkte in de bibliotheek van Alexandrië, maar geen van zijn originele geschriften is bewaard gebleven. Mogelijk komt dit door de vernietiging van de bibliotheek van Alexandrië wanneer Julius Caesar de stad binnenvalt. Zijn uitvinden kennen we dankzij latere auteurs zoals Vitruvius.

De krachtpomp van Ktesbios werd door de Romijnen aangepast door 2 cilinders te gebruiken. De pomp werd in een waterbak geplaatst, en wanneer de staaf een zuiger ophief, werd het water in de cilinder werd gezogen. Hierdoor zakte de tegenoverliggende zuiger, waardoor het water door de centrale uitlaat werd gestuwd. Eenrichtingskleppen zorgde ervoor dat het water in de goede richting ging, en het systeem van wisselende zuigers zorgde voor een constante afworp van water. De pomp werd voornamelijk gebruikt voor brandbestrijding, gemonteerd op een kar met waterreservoir en met een zwenkbare sproeier bovenaan de verticale afvoerleiding. Ook werd de pomp gebruikt als lenspomp voor het verwijderen van overtollig water van schepen.

100 v. Chr. – 0

Voor zover bekend bestond het eerste brandweerkorps van de wereld in Rome. Het werd opgericht door Marcus Licinius Crassus. Het 500 slaven tellende korps ging echter niet zo netjes te werk. De stad Rome had geen eigen brandweerkorps, dus richtte Marcus zijn eigen korps op. Als er in Rome brand was dan spoedde zijn slaven zich naar de brand. Ze gingen in een lange rij staan en stonden klaar om te blussen door emmers met water door te geven. Echte deden ze niks voordat Marcus onderhandelt had met de eigenaar van het pand. De eigenaar moest het pand aan Marcus verkopen voor een bijzonder lage prijs. Als de eigenaar dat niet deed dan liet Marcus het pand tot de grond toe afbranden. Als Marcus eigenaar van het pand was geworden dan bluste zijn slaven de brand en verhuurde hij het pand voor een hoge prijs aan de voormalige eigenaar.

In het jaar 6 v.Chr richtte keizer Augustus een geheel nieuw brandweerkorps in overheidsdienst op: de Vigiles. Dit was de eerste militaire beroepsbrandweer van Rome. Als soldaat begin je meestal bij de Vigiles. Omdat er niet iedere dag brand was hadden zij neventaken zoals politieagent. Ten tijde van keizer Augustus werden ook brandpreventieve regels opgesteld. Gevels die aan de straat grensde mochten niet hoger zijn dan 70 voet (20,7 m).

0 – 500

Rome heeft meerdere ernstige branden meegemaakt waaronder de brand op 19 juli 64 n.Chr waarbij twee derde van Rome werd verwoest. Keizer Nero (54 – 68 n.Chr) bepaalde na de brand van 64 n.Chr dat het gebruik van naar buiten uitstekende houten steunbalken verboden werd. Ook bepaalde hij dat in ieder huis een emmer met bluswater aanwezig moest zijn. In wetten werd later bepaald dat er 15 voet (4,4 m) rondom overheidsgebouwen niet gebouwd mocht worden. Zo probeerde keizers met tal van wetten en regels het brandgevaar in Rome te verminderen.

500 – 1500 (Middeleeuwen)

In de middeleeuwen waren de huizen van hout en de daken van riet. Er werd in de woningen op open vuur gekookt middels een vuurkuil in de lemen vloer. De pan hing aan een ketting boven het vuur. Dit zorgde voor brandgevaarlijke situaties. Ook waren branden het gevolg van oorlog en blikseminslag. Als er dan brand uitbrak dan brandde soms een groot deel van een dorp of stad af. Het vuur kon immers gemakkelijk overslaan op andere woningen. Om de brand te blussen had je hulp nodig van je buren en andere omwonenden. Met elkaar werd een lange rij gevormd tussen een sloot en de brand. Vervolgens werden emmers met water doorgegeven.

leren brandemmer
Brandemmer | bron: nationaal brandweer museum

1500 – 1600

Anton Platner

In 1518 zou de Duitser Anton Platner de brandspuit opnieuw uitgevonden hebben volgens het principe van Ktesbios. Anton Platner was een goudsmid in het Duitse Augsburg.

Keizer Karel V

In 1521 bepaald keizer Karel V per wet of ordonnantie dat er alleen nog huizen van steen gebouwd mochten worden om brand minder kans te geven. Voor de opslag van gevaarlijke stoffen komen ook regels. De overheid stelde vooral regels op over wat de burgers bij brand moeten doen en hoeveel emmers, ladders en ander blusmaterieel ieder stadsdeel moet hebben. Een brandweerorganisatie wordt echter niet opgericht. Wel wijst de overheid burgers aan als brandmeesters. Zij krijgen de leiding bij het bestrijden van brand. Ook worden emmermeesters aangewezen die voor het blusmaterieel verantwoordelijk zijn.

1600 – 1800

De eerste brandspuiten aan het begin van de 17e eeuw waren eigenlijk een soort van injectiespuiten. De mond van de spuit werd onder water gedompeld en de zuiger werd naar achter getrokken waardoor de spuit zich vulde. Daarna kon het water over de brand heen worden gespoten.

koperen brandspuit
Brandspuit | bron: brandweer.nl

Pauwel Auleander

In 1614 vond Pauwel Auleander de wonderspuit uit zoals hij het zelf noemde. De basis voor deze wonderspuit was een houten vat gevuld met water. Via twee zuigpompcilinders werd het water uit het vat door een straalpijp richting de brand gespoten. Slangen waren er nog niet, dus de wonderspuit moest vlak bij de brand staan. De houten bak moest steeds gevuld worden met emmers water.

Hans Hautsch

In 1650 volgde de brandspuit van Duitser Hans Hautsch. Het principe van deze bluspomp beruste op hetzelfde principe als dat van de wonderspuit van Pauwel Auleander. De twee zuigers die horizontaal bewogen werden door 14 mannen per zuiger bediend. In totaal waren dus 28 mensen nodig om de zuigers te bewegen. Het bluspomp was groot en zwaar en drie paarden waren nodig om hem te verplaatsen. Bij de brandspuit van Hautsch kon het mondstuk verwisseld worden. Het was de eerste brandspuit met een flinke capaciteit die een brand van enige omvang aan kon. Nadeel was nog steeds dat de waterstraal niet continu was. Als de zuigers stil stonden op een dood moment dan stopte ook de waterstraal. Ook moest het waterreservoir onder de pomp nog steeds met emmers gevuld worden.

Bluspomp van Hans Hautsch blust een brand op de 3e verdieping van een woning

Pieck, Pomp en Van der Veer

In 1664 wordt (Nederlands) octrooi verleend voor een spuit die „water geduerich sonder enige horten (…) met een eenparige strael bracht verre boven het dack van de hoochste Brouwerije deses lands.” De heren Pieck, Pomp en Van der Veer maken een windketel op de brandspuit. De luchtdruk in de windketel zorgt voor druk in de spuitmond op de dode momenten.

Jan van der Heyden

Vaak wordt ten onrechte beweert dat Jan van der Heyden (Gorinchem, 5 maart 1637 – Amsterdam, 28 maart 1712) de uitvinder van de brandspuit is. Zoals hiervoor beschreven waren anderen hem voor. Jan van der Heyden voerden vanaf 1671 wel een aantal sterke verbeteringen toe aan het ontwerp van Hautsch. Ook was van der Heyden de uitvinder van de brandslang en dat zorgde voor een grote doorbraak op het gebied van brandbestrijding.

Zo ontwierp hij is 1671 een aparte pomp die water uit de gracht pompt middels een schraagpomp en middels een linnen slang het waterreservoir van de bluspomp vult. Emmers waren daardoor overbodig. In 1672 volgt zijn grootste doorbraak. Hij voert niet alleen slangen met water naar de bluspomp toe, maar ook er vandaan richting de brand. De slangenspuit is een feit. Door wielen toe te voegen aan de brandspuit werd deze mobiel. In 1677 ontvangt van der Heyden octrooi op een brandspuit die onafgebroken water kon geven.

Tot 1678 zijn gildebroeders belast met de bluswerkzaamheden. In dat jaar vraagt van der Heyden aan het stadbestuur van Amsterdam om de brandweerorganisatie te herzien. Van der Heyden krijgt opdracht tot sanering van de Amsterdamse brandweer. In 1685 wordt een brandkeur geïntroduceerd vergelijkbaar met wat we tegenwoordig kennen als plaatselijke verordening. Hierin was vast gelegd dat de totale leiding van brandbestrijding de verantwoordelijkheid werd van twee generaal-brandmeesters. Dit werden van der Heyden en zoon Jan.

In 1690 publiceerden Jan van de Heyden en zijn zoon Jan het eerste brandweerboek ter wereld. In dit boek zijn beschrijvingen van brand maar ook brandbestrijdingstechnieken opgenomen. Het boek was voorzien met tal van tekeningen en schetsen die Jan van der Heyden zelf maakte. Delen van het boek zijn hier terug te zien.

1800 – 1900

In 1827 bepaald Koning Willem I per koninklijk besluit dat alle gemeenten verplicht zijn om een brandspuit en andere blusmiddelen aan te schaffen. Ook worden gemeenten verplicht om regelgeving te hebben m.b.t. brandbestrijding. Daarnaast ontstaan rond deze tijd de eerste vrijwillige brandweerverenigingen die betaald werden door rijke inwoners. Zo wordt in Rotterdam in 1845 een vrijwilliger korps opgericht en in Alkmaar in 1879.

In 1831 wordt in Londen de eerste stoomspuit gebouwd. De capaciteit van de stoomspuit is vele malen groter dan de handbrandspuit. Een stoombrandspuit levert 1500 liter water per minuut terwijl een handbrandspuit maar 150 liter per minuut levert. Rotterdam en Amsterdam schaffen in 1866 deze Engelse stoomspuiten aan. In 1877 wordt de eerste Nederlandse spuit gebouwd door de firma Bikkers.

De loodzware en stugge lederen brandslangen worden in 1850 vervangen door rondgeweven slangen. De schroefkoppeling van Jan van der Heyden maakt plaats voor koppelingen met bajonetsluiting, zoals de Storz koppeling die we tegenwoordig nog steeds kennen. In dat jaar wordt ook de brandweerhelm voor het eerst geïntroduceerd. Aanvankelijk had men enige afkeer tegen de helm tot deze het leven redde van brandweerman Gorter bij een instorting.

Het besluit dat het waterleidingnet gebruikt mag worden voor brandbestrijding volgde in 1860 in Amsterdam. In 1874 krijgt Amsterdam het eerst beroepsbrandweerkorps van Nederland.

1900 – 1950

Vanaf 1910 wordt stoom niet alleen gebruikt voor het pompen, maar ook voor het aandrijven van het voertuig. In dat jaar worden de eerste automobielstoomspuiten in gebruik genomen. 10 jaar later in 1920 volgen de automobielspuiten waarbij benzine zowel de motor als de pomp aandrijft.

Eerste Wereldoorlog 1914 – 1918

De Eerste Wereldoorlog kenmerkt zich door materieelgebrek voor de brandweer. De bezetter vordert vele materialen en de brandweer moet blussen met de middelen die over blijven. Ook wordt de brandweer soms verboden een brand te blussen omdat de bezetter baad heeft bij die brand. Na de oorlog moeten veel brandweerkorpsen zich opnieuw uitrusten.

Tweede wereldoorlog 1940 – 1945

Ook de Tweede Wereldoorlog betekent weer veel ellende. Er moet bespaard worden op benzine waardoor gemotoriseerde brandweervoettuigen alleen mogen uitrukken voor grote branden. Voor kleine incidenten moet men weer gebruik maken van trekkarren.

De periode van de oorlog stond in het teken van wederopbouw. Na de bevrijding krijgen de gemeentes weer de verantwoordelijkheid over de brandweer. Dankzij nieuwe technieken waren er veel vernieuwingen bij de brandweer. Zo werden ademluchttoestellen geïntroduceerd. Ook werden hoge druk pompen, schuim- en poederblussing geïntroduceerd.

1950 – 2000

Bescherming Bevolking (BB)

In 1952 werd een organisatie opgericht ter bescherming van de bevolking, de BB. Het ging dan met name om bescherming ten tijde van oorlog en grootschalige rampen. De BB bestond uit een aantal overheidsfunctionarissen in vaste dienst met daaromheen vele vrijwilligers. De BB bestond uit een brandweerdienst, eerstehulpdienst en een reddingsdienst. In 1986 is de BB opgeheven.

Vanaf 1970 gingen gemeentelijke brandweren samenwerking in regionale korpsen. Doel hiervan was het verbeteren van de samenwerking tijdens crises en rampen. Weinig regionale brandweren voldoen aan de richtlijnen die het ministerie had opgesteld dus wordt in 1985 besloten om het regionaliseren per wet te regelen.

Brandweerwet 1985

In 1985 werd de brandweerwet vastgesteld. Hierin waren de taken en verantwoordlijkheden van de gemeentes geregeld m.b.t. de brandweer. Het college van burgemeesters en wethouders was op grond van de wet verantwoordelijk voor:

  • het voorkomen, beperken en bestrijden van brand, het beperken van brandgevaar, het voorkomen en beperken van ongevallen bij brand en al hetgeen daarmee verband houdt
  • het beperken en bestrijden van gevaar voor mensen en dieren bij ongevallen anders dan bij brand

Daarnaast werd door een algemene maatregel van bestuur een verdeling van gemeentes in veiligheidsregio’s bepaald. Gemeentes behoorden met elkaar tot 1 regio waarbij men een aantal zaken regionaal moest uitvoeren. Bijvoorbeeld het hebben van 1 regionale brandweeralarmcentrale en het aanschaffen en beheren van regionaal materieel.

Het woord brandweer danken we aan ons buurland Duitsland. Het is afgeleidt van het woord “feuerwehr” dat in Duitsland brandweer betekent. Het woord brandweer wordt sinds de 19e eeuw gebruikt, daarvoor gebruikte men het woord “brandwacht”. In Nederland kwam daarvoor al wel het woord “Brantweer” voor, wat “gereedschap om brand te blussen” betekende.

2000 – heden

Op 1 oktober 2010 is de Wet veiligheidsregio’s in werking getreden en deze vervangt daarbij de brandweerwet 1985. In de wet staat beschreven wat de taken van een veiligheidsregio zijn en zijn een aantal eisen opgenomen op het gebied van kwaliteit van personeel en materieel.

Sommige veiligheidsregio’s gaan nog een stapje verder in de samenwerking. Zo maken zij bijvoorbeeld gebruik van een gezamenlijke meldkamer, of verzorgen met elkaar opleidingen en oefeningen.

Landelijke Meldkamer Samenwerking (LMS)

Begin 2023 heeft Nederland nog maar tien 112 meldkamers. Deze tien met elkaar verbonden meldkamerlocaties waarop de brandweer, politie, ambulance en Koninklijke Marechaussee hun meldkamerfuncties (gezamenlijk) kunnen uitoefenen. Meer over de Landelijke Meldkamer Samenwerking lees je hier.